prof.dr. S.J.C. Hemels - NTFR2014-415
‘But I don't want to go among mad people,’ Alice remarked. ‘Oh,
you can't help that,’ said the Cat: ‘we're all mad here. I'm mad. You're
mad.’ ‘How do you know I'm mad?’ said Alice. ‘You must be,’ said the
Cat, ‘or you wouldn't have come here.’
Uit de Fiscale Monitor 2013
blijkt dat slechts 1% van de zogenoemde Fiscaal Dienstverleners de
BelastingTelefoon als eerste noemt wanneer naar hun voorkeursbron van
informatie wordt gevraagd.
Toch maakt, zo blijkt uit dezelfde monitor, 32% van de Fiscaal
Dienstverleners gebruik van de BelastingTelefoon. De iets meer dan 100
Fiscaal Dienstverleners die aan het onderzoek deelnamen, belden in het
onderzochte jaar gemiddeld maar liefst 36,5 keer met de
BelastingTelefoon (alleen de toeslagenintermediairs hadden vaker
contact).
Tegelijkertijd geven de Fiscaal Dienstverleners de BelastingTelefoon de
laagste waardering van alle onderzochte groepen: 30% is zeer ontevreden
tot ontevreden, 38% is neutraal, 27% is tevreden en slechts 5% van de
Fiscaal Dienstverleners is zeer tevreden over de BelastingTelefoon.
Ook beoordelen Fiscaal Dienstverleners de deskundigheid van de
medewerkers van de BelastingTelefoon als laagste: 29% kwalificeert ze
als (zeer) ondeskundig, 37% is neutraal, 27% vindt de medewerkers
deskundig en slechts 7% vindt ze zeer deskundig.
Dit wordt ook bevestigd door het feit dat Fiscaal Dienstverleners het
minst vaak meteen tijdens het gesprek antwoord hebben gekregen op hun
vraag (45%, terwijl dit voor particulieren, ondernemers en
toeslaggerechtigden op of boven de 70% ligt).
In een in 2011 uitgevoerd onderzoek, concludeerde ook de
Consumentenbond dat de kwaliteit van de BelastingTelefoon voor
verbetering vatbaar was: de antwoorden op de vijftig vragen die de
Consumentenbond stelde, waren grotendeels fout of incompleet. Slechts
zeventien antwoorden waren correct: ‘Zelfs op eenvoudige vragen als 'ik
wil bezwaar aantekenen tegen een aanslag, krijg ik dan automatisch ook
uitstel van betaling?' kwamen onvolledige antwoorden.’
Showing posts with label NL. Show all posts
Showing posts with label NL. Show all posts
Tuesday, 4 February 2014
Friday, 30 August 2013
De objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten vergeleken met de deelnemingsvrijstelling
TFO 2013/128.2 - Prof. dr. Q.W.J.C.H. Kok
Per 1 januari 2012 geldt in de Nederlandse vennootschapsbelasting voor de voorkoming van dubbele belasting ter zake van buitenlandse ondernemingswinsten de objectvrijstelling. Op basis van de objectvrijstelling worden positieve en negatieve resultaten van een buitenlandse vaste inrichting geëlimineerd uit de wereldwinst. Tot aan 1 januari 2012 maakten vaste-inrichtingsresultaten deel uit van de wereldwinst. Er werd op basis van verdragen en het Bvdb 2001 een vrijstelling van de Nederlandse vennootschapsbelasting over deze winsten gegeven, waardoor er effectief in Nederland geen belastingheffing over deze winsten plaatsvond. Verliezen verminderden de wereldwinst en kwamen derhalve in Nederland in aftrek. Een asymmetrische situatie derhalve: er was effectief geen belasting over winsten en verliezen waren aftrekbaar. De mogelijkheid om buitenlandse verliezen in aftrek te brengen op de Nederlandse belastinggrondslag was een belangrijk voordeel van een vaste inrichting ten opzichte van een deelneming. Als onderdeel van het Belastingplan 2012 heeft de wetgever besloten de asymmetrische situatie op te heffen door zowel winsten als verliezen te elimineren en zo een meer parallelle behandeling met de deelnemingsvrijstelling te bewerkstelligen. In deze bijdrage wordt beoogd te onderzoeken welke verschillen er nog steeds bestaan tussen de behandeling van vaste inrichtingen en de behandeling van deelnemingen.
Per 1 januari 2012 geldt in de Nederlandse vennootschapsbelasting voor de voorkoming van dubbele belasting ter zake van buitenlandse ondernemingswinsten de objectvrijstelling. Op basis van de objectvrijstelling worden positieve en negatieve resultaten van een buitenlandse vaste inrichting geëlimineerd uit de wereldwinst. Tot aan 1 januari 2012 maakten vaste-inrichtingsresultaten deel uit van de wereldwinst. Er werd op basis van verdragen en het Bvdb 2001 een vrijstelling van de Nederlandse vennootschapsbelasting over deze winsten gegeven, waardoor er effectief in Nederland geen belastingheffing over deze winsten plaatsvond. Verliezen verminderden de wereldwinst en kwamen derhalve in Nederland in aftrek. Een asymmetrische situatie derhalve: er was effectief geen belasting over winsten en verliezen waren aftrekbaar. De mogelijkheid om buitenlandse verliezen in aftrek te brengen op de Nederlandse belastinggrondslag was een belangrijk voordeel van een vaste inrichting ten opzichte van een deelneming. Als onderdeel van het Belastingplan 2012 heeft de wetgever besloten de asymmetrische situatie op te heffen door zowel winsten als verliezen te elimineren en zo een meer parallelle behandeling met de deelnemingsvrijstelling te bewerkstelligen. In deze bijdrage wordt beoogd te onderzoeken welke verschillen er nog steeds bestaan tussen de behandeling van vaste inrichtingen en de behandeling van deelnemingen.
Onzakelijke garantstelling binnen concern: verlies niet aftrekbaar
Maandblad Belasting Beschouwingen 2013/07/08 - Drs. B.W.A.M. Damsma &
P. van der Heiden LL.M
ii. waarbij die vennootschap zich hoofdelijk aansprakelijk
stelt voor alle vorderingen die de bij het kredietarrangement betrokken
schuldeiser(s) uit hoofde van dat arrangement heeft/hebben op de
overige concernvennootschappen, en voorts
iii. een regresvordering die uit die aansprakelijkheid ontstaat niet zal worden opgeëist zolang het volledige openstaande bedrag van de kredietfaciliteit niet is terugbetaald (ofwel vorderingen als gevolg van hoofdelijke aansprakelijkheid zijn achtergesteld bij bankvorderingen), in een dergelijk geval, bij de heffing van vennootschapsbelasting bij de vennootschap, geldt dat het aanvaarden door die vennootschap van de hoofdelijke aansprakelijkheid zijn oorzaak vindt in de vennootschapsrechtelijke betrekkingen tussen die vennootschap en die andere vennootschappen. Daarmee is het verlies voortvloeiend uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor vorderingen van de schuldeiser niet aftrekbaar voor de vennootschapsbelasting.
Dit oordeel van de Hoge Raad heeft mogelijk verstrekkende gevolgen voor de (huidige) garantieregelingen binnen concernverband.
P. van der Heiden LL.M
Auteurs gaan nader in op een arrest van de Hoge Raad waarin een
verlies uit hoofde van een binnen concernverband verstrekte garantie
ter zake van een concernkredietfaciliteit niet aftrekbaar is voor de
verstrekker van de garantie. Auteurs vragen zich af waarom de Hoge Raad
in casu de eerder door de Hoge Raad ontwikkelde leer ter zake van de
onzakelijke lening niet toepast.
1 Inleiding
Op 1 maart 2013 heeft de Hoge Raad de uitspraak van Hof Arnhem bevestigd inzake de niet-aftrekbaarheid van een verlies voortkomend uit een tussen concernvennootschappen overeengekomen aansprakelijkheid voor elkaars schulden. Meer specifiek was de Hoge Raad van oordeel dat indien:
i.
het gaat om een vennootschap die deelneemt aan een (derde)
kredietarrangement waarin tevens wordt deelgenomen door andere
vennootschappen van het concern waartoe die vennootschap behoort,
iii. een regresvordering die uit die aansprakelijkheid ontstaat niet zal worden opgeëist zolang het volledige openstaande bedrag van de kredietfaciliteit niet is terugbetaald (ofwel vorderingen als gevolg van hoofdelijke aansprakelijkheid zijn achtergesteld bij bankvorderingen), in een dergelijk geval, bij de heffing van vennootschapsbelasting bij de vennootschap, geldt dat het aanvaarden door die vennootschap van de hoofdelijke aansprakelijkheid zijn oorzaak vindt in de vennootschapsrechtelijke betrekkingen tussen die vennootschap en die andere vennootschappen. Daarmee is het verlies voortvloeiend uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor vorderingen van de schuldeiser niet aftrekbaar voor de vennootschapsbelasting.
Dit oordeel van de Hoge Raad heeft mogelijk verstrekkende gevolgen voor de (huidige) garantieregelingen binnen concernverband.
Wednesday, 24 July 2013
Etikettering van koppel(gedeelte van)panden
WFR 2013/923 - Mr. A.M.A. de Beer
De etikettering van (gedeelte van) panden verworven bij een koppelaankoop is in de rechtspraak tot 29 juni 2012 geregeld aan de orde geweest. Toch heeft dat niet geresulteerd in een uitkristallisering van de problematiek. Diverse voor de praktijk belangwekkende vragen zijn onbeantwoord gebleven. In zijn arresten van 29 juni 2012, BNB 2012/243-244 heeft de Hoge Raad getracht meer duidelijkheid te scheppen door een algemene uiteenzetting te geven van de etiketteringsregels bij koppelaankopen. In deze bijdrage analyseert mr. A.M.A. de Beer de arresten van 29 juni 2012. Centraal staat daarbij de vraag of de Hoge Raad er inderdaad in is geslaagd de onduidelijkheden weg te nemen.
De etikettering van (gedeelte van) panden verworven bij een koppelaankoop is in de rechtspraak tot 29 juni 2012 geregeld aan de orde geweest. Toch heeft dat niet geresulteerd in een uitkristallisering van de problematiek. Diverse voor de praktijk belangwekkende vragen zijn onbeantwoord gebleven. In zijn arresten van 29 juni 2012, BNB 2012/243-244 heeft de Hoge Raad getracht meer duidelijkheid te scheppen door een algemene uiteenzetting te geven van de etiketteringsregels bij koppelaankopen. In deze bijdrage analyseert mr. A.M.A. de Beer de arresten van 29 juni 2012. Centraal staat daarbij de vraag of de Hoge Raad er inderdaad in is geslaagd de onduidelijkheden weg te nemen.
Thursday, 18 July 2013
Getuigenbewijs in het fiscaal bestuursrecht
Tijdschrift Formeel Belastingrecht 2013/04 - Mevr.mr. G.H. Ulrich & Mevr.mr. M.E. Oenema
In het fiscaal bestuursrecht kan een belanghebbende
gebruikmaken van alle mogelijke bewijsmiddelen om zijn stellingen
aannemelijk te maken. Daaronder valt tevens het getuigenbewijs. De
belanghebbende kan schriftelijke verklaringen van een getuige inbrengen,
de beoogde getuige meebrengen ter zitting of hem oproepen aldaar te
verschijnen. Ook kan hij getuigenbewijs als voorwaardelijk bewijs
aanbieden.De belastingrechter dient de opgeroepen en verschenen of
meegebrachte getuige in beginsel te horen. Slechts in uitzonderlijke
gevallen mag hij van horen afzien. Indien een getuige wel door de
belanghebbende is opgeroepen, maar niet is verschenen, bepaalt de wet
dat de rechter deze getuige kan oproepen. Slechts door een enkel arrest
van de Hoge Raad is aan dit vereiste nadere invulling gegeven. Het is
echter de vraag of dit dé maatstaf is die een belastingrechter in elk
van de voorkomende gevallen dient aan te leggen. In deze publicatie
proberen wij op deze vraag een antwoord te vinden. Het belang hiervan
schuilt in het gegeven dat getuigenbewijs een belangrijke bijdrage kan
leveren aan de onderbouwing van een door een belanghebbende ingenomen
standpunt.
Allereerst zetten wij uiteen welke (algemene) eisen worden
gesteld aan het doen van een getuigenaanbod (par. 1). Voorts bespreken
wij de randvoorwaarden uit de jurisprudentie waarbinnen de rechter
voorbij mag gaan aan het horen van een opgeroepen en verschenen of
meegebrachte getuige (par. 2.1) en een opgeroepen maar niet verschenen
getuige (par. 2.2). Wij sluiten af met een conclusie (par. 3).Monday, 24 June 2013
Een pleidooi voor eerherstel van BNB 1982/268 door aanpassing van art. 13, lid 2, onderdeel d, Wet VPB 1969
Maandblad Belasting Beschouwingen 2013/06 - Mr.dr. G.K. Fibbe
In deze bijdrage wordt besproken art. 13, lid 2, onderdeel d, Wet VPB 1969, dat de toepassing van de deelnemingsvrijstelling beoogt te regelen met betrekking tot een commanditair belang in een open commanditaire vennootschap. De regeling is onduidelijk, maar de uitleg die de wetgever eraan geeft leidt tot ongerijmdheden in de praktijk. Voorgesteld wordt de ongerijmdheden weg te nemen, zodat de regeling in lijn komt met het toepasselijk wettelijk kader.
In deze bijdrage wordt besproken art. 13, lid 2, onderdeel d, Wet VPB 1969, dat de toepassing van de deelnemingsvrijstelling beoogt te regelen met betrekking tot een commanditair belang in een open commanditaire vennootschap. De regeling is onduidelijk, maar de uitleg die de wetgever eraan geeft leidt tot ongerijmdheden in de praktijk. Voorgesteld wordt de ongerijmdheden weg te nemen, zodat de regeling in lijn komt met het toepasselijk wettelijk kader.
Wednesday, 12 June 2013
Getuigenbewijs in het fiscaal bestuursrecht
Tijdschrift Formeel Belastingrecht 2013/04 - Mevr.mr. G.H. Ulrich & Mevr.mr. M.E. Oenema
In het fiscaal bestuursrecht kan een belanghebbende
gebruikmaken van alle mogelijke bewijsmiddelen om zijn stellingen
aannemelijk te maken. Daaronder valt tevens het getuigenbewijs. De
belanghebbende kan schriftelijke verklaringen van een getuige inbrengen,
de beoogde getuige meebrengen ter zitting of hem oproepen aldaar te
verschijnen. Ook kan hij getuigenbewijs als voorwaardelijk bewijs
aanbieden.De belastingrechter dient de opgeroepen en verschenen of
meegebrachte getuige in beginsel te horen. Slechts in uitzonderlijke
gevallen mag hij van horen afzien. Indien een getuige wel door de
belanghebbende is opgeroepen, maar niet is verschenen, bepaalt de wet
dat de rechter deze getuige kan oproepen. Slechts door een enkel arrest
van de Hoge Raad is aan dit vereiste nadere invulling gegeven. Het is
echter de vraag of dit dé maatstaf is die een belastingrechter in elk
van de voorkomende gevallen dient aan te leggen. In deze publicatie
proberen wij op deze vraag een antwoord te vinden. Het belang hiervan
schuilt in het gegeven dat getuigenbewijs een belangrijke bijdrage kan
leveren aan de onderbouwing van een door een belanghebbende ingenomen
standpunt.
Allereerst zetten wij uiteen welke (algemene) eisen worden
gesteld aan het doen van een getuigenaanbod (par. 1). Voorts bespreken
wij de randvoorwaarden uit de jurisprudentie waarbinnen de rechter
voorbij mag gaan aan het horen van een opgeroepen en verschenen of
meegebrachte getuige (par. 2.1) en een opgeroepen maar niet verschenen
getuige (par. 2.2). Wij sluiten af met een conclusie (par. 3).Wednesday, 30 January 2013
“Met de kennis van nu...” (deel I)
WFR 2013/138 - Dr. mr. E. Nijkeuter en mr. M.F. de Wilde
Op 13 november 2012 heeft het Hof van Justitie EU voor de tweede keer arrest gewezen in de zaak-Test Claimants in the FII Group Litigation (FII 2). Het Hof van Justitie EU kiest bij zijn keuze voor de toepasselijke verkeersvrijheid in derdelandsituaties een andere benadering dan we in Nederland gewend zijn. Het Hof van Justitie EU acht, vrij vertaald, de kapitaalverkeersvrijheid ook van toepassing wanneer binnen de EU gevestigde lichamen belastbare voordelen behalen uit meerderheidsbelangen in vennootschappen gevestigd in derdelanden. Dit wanneer de betrokken (belasting)wetgeving van generieke aard is. De gekozen route wijkt af van die van de Hoge Raad in diverse recente arresten. De Hoge Raad ziet in buitengrensoverschrijdende investeringen in meerderheidsbelangen louter vestigingshandelingen, die buiten de bescherming van het Unierecht vallen. In een tweeluik analyseren E. Nijkeuter en M.F. de Wilde het FII 2-arrest (deel 1) en bespreken zij de gevolgen voor de fiscale rechtstoepassing in Nederland (deel 2).
Op 13 november 2012 heeft het Hof van Justitie EU voor de tweede keer arrest gewezen in de zaak-Test Claimants in the FII Group Litigation (FII 2). Het Hof van Justitie EU kiest bij zijn keuze voor de toepasselijke verkeersvrijheid in derdelandsituaties een andere benadering dan we in Nederland gewend zijn. Het Hof van Justitie EU acht, vrij vertaald, de kapitaalverkeersvrijheid ook van toepassing wanneer binnen de EU gevestigde lichamen belastbare voordelen behalen uit meerderheidsbelangen in vennootschappen gevestigd in derdelanden. Dit wanneer de betrokken (belasting)wetgeving van generieke aard is. De gekozen route wijkt af van die van de Hoge Raad in diverse recente arresten. De Hoge Raad ziet in buitengrensoverschrijdende investeringen in meerderheidsbelangen louter vestigingshandelingen, die buiten de bescherming van het Unierecht vallen. In een tweeluik analyseren E. Nijkeuter en M.F. de Wilde het FII 2-arrest (deel 1) en bespreken zij de gevolgen voor de fiscale rechtstoepassing in Nederland (deel 2).
Weekblad voor Fiscaal Recht, Verslag seminar Maritime and Transport Tax Law (28 november 2012)
WFR 2013/160 - Mr. drs. C.W.M.M. Verkoijen
Elke inleiding
werd gevolgd door een discussie met een panel (drs. Martin Dorsman
(directeur Koninklijke Vereniging van Nederlandse
Reders) en mr. Hester Henry
(Directie IFZ/Ministerie van Financiën)) en de deelnemers aan het
seminar. In zijn openingswoord
gaf Stevens aan dat het de bedoeling
is om met enige regelmaat dergelijke seminars te organiseren, waarbij
er voor 2013 al
een drietal bijeenkomsten in
voorbereiding is (nieuwe State Aid Guidelines on Maritime Transport,
Maritime Labour Convention
en de belastingplicht van
havenbedrijven).
Op woensdag 28
november 2012 vond het eerste Maritime and Transport Tax Law seminar
plaats georganiseerd door de sectie Belastingrecht
van de Erasmus School of Law (ESL)
in het kader van het onderzoeksprogramma ‘Fiscale Autonomie en haar
Grenzen’. Voorzitter van het seminar was prof. dr. Ton Stevens.
In het seminar stond een drietal actuele ontwikkelingen uit het Nederlandse verdragsbeleid centraal, waarover drie sprekers
een inleiding hielden:
| 1 | |
| 2 | |
| 3 |
inzet van personeel op zeeschepen (art. 15 lid 3 OESO-modelverdrag): drs. Wies Verstraaten.
|
Subscribe to:
Posts (Atom)