Monday, 22 February 2016

Woning vormt in uitzendperiode na beëindiging korte verhuur geen ‘eigen woning’ meer

mr. A.J.M. Arends - NTFR 2015/834 






Belanghebbende is eigenaar van een woning die is gefinancierd met een lening. Sinds 2003 is belanghebbende door zijn werkgever naar het buitenland uitgezonden; begin 2011 is hij teruggekeerd in Nederland. Belanghebbende heeft de woning gedurende de uitzendperiode aangehouden. Hij heeft de woning uitsluitend van 30 juli 2008 tot en met 17 september 2009 verhuurd. In geschil is of de woning voor het deel van de uitzendperiode na de beëindiging van de verhuurperiode, als een eigen woning in de zin van de uitzendregeling kan worden aangemerkt. Rechtbank Den Haag (3 oktober 2013, nr. 13/07712, NTFR 2014/972) heeft die vraag bevestigend beantwoord. De Hoge Raad ziet dat echter anders. De Hoge Raad zet uiteen dat de strekking van art. 3.111, lid 6, Wet IB 2001, waarin de uitzendregeling is opgenomen, weliswaar pleit voor de uitkomst van de rechtbank maar dat de tekst en wetsgeschiedenis zich daartegen verzetten. Dat laatste weegt zwaarder, aldus de Hoge Raad. Anders dan belanghebbende betoogt, kan de woning evenmin op grond van het derde lid (leegstaande woningen) of op grond van het zevende lid (terbeschikkingstelling voor korte duur) van art. 3.111 Wet IB 2001 na de verhuurperiode als ‘eigen woning’ worden aangemerkt. (Cassatieberoep gegrond.)

No comments:

Post a Comment