Monday, 22 February 2016

Franse regeling voor niet-aftrekbare deelnemingskosten in strijd met EU-recht

drs. B.J. Kiekebeld - NTFR 2015/2456
Volgens de Franse vennootschapsbelasting kunnen de netto-inkomsten uit deelnemingen die recht geven op toepassing van de belastingregeling voor moedervennootschappen, in mindering worden gebracht op de totale nettowinst, na aftrek van een aandeel voor kosten en lasten ad 5% van de totale inkomsten uit de deelnemingen. Het aandeel van 5% symboliseert de kosten die bij de moedervennootschap zijn ontstaan in verband met de deelnemingen in de dochtervennootschappen. Ook het 5%-aandeel kan op de winst in mindering worden gebracht wanneer de moeder- en de dochtervennootschap in het kader van de zogenoemde ‘intégration fiscale’ samen worden belast. De Franse vennootschap Groupe Steria SCA is de moederonderneming in een groep waarop de bijzondere regeling inzake groepsbelasting van toepassing is. Groupe Steria vordert aftrek van het niet-aftrekbare aandeel van 5% voor kosten en lasten voor inkomsten die één van haar ingezeten dochters heeft ontvangen uit deelnemingen in vennootschappen met zetel in andere lidstaten van de Europese Unie. De Franse autoriteiten weigeren die aftrek omdat deze slechts kan worden toegekend wanneer de inkomsten uit deelnemingen afkomstig zijn van een tot de fiscale groep behorende onderneming. Volgens de Franse wet kunnen in het buitenland gevestigde vennootschappen echter geen deel uitmaken van een fiscale groep. Groupe Steria is van mening dat de Franse bepalingen in strijd zijn met de vrijheid van vestiging voor zover zij de aftrek van het aandeel van 5% niet toestaan met betrekking tot deelnemingen van vennootschappen die tot de fiscale eenheid zouden kunnen behoren indien zij niet in het buitenland waren gevestigd. De verwijzende rechter die over het geschil moet oordelen heeft het HvJ gevraagd of de Franse regeling in strijd is met de vrijheid van vestiging. Het HvJ bevestigt dat de vrijheid van vestiging wordt beperkt. De Franse regeling kan het immers voor de desbetreffende moedermaatschappij minder aantrekkelijk maken haar vrijheid van vestiging uit te oefenen doordat zij ervan wordt afgeschrikt in andere lidstaten dochterondernemingen op te richten. De aangevoerde rechtvaardigingsgronden wijst het HvJ af.

No comments:

Post a Comment