Thursday, 15 January 2015

Duitse forfaitaire berekening van opbrengsten uit buitenlandse beleggingsfondsen in strijd met vrij verkeer van kapitaal

Mr.dr. E. Nijkeuter - NTFR2014-2784

R. van Caster en haar zoon P. van Caster, woonachtig in Duitsland, hebben investeringen gedaan in buitenlandse beleggingsfondsen, die in bewaring zijn gegeven bij een Belgische bank. Zij hebben de opbrengsten in hun Duitse belastingaangifte aangegeven door middel van een schatting aan de hand van bewijsstukken en informatie uit een financieel dagblad. Het totaalbedrag over de periode 2003-2008 is € 71.462. Het Finanzamt heeft de opbrengsten uit op grond van art. 6 InvStG forfaitair op 6% vastgesteld, waardoor deze bedragen aanzienlijk hoger zijn, namelijk € 246.446. R. en P. van Caster vinden deze wijze van berekening in strijd met het vrij verkeer van kapitaal, omdat er een onderscheid wordt gemaakt tussen opbrengsten uit Duitse beleggingsfondsen, die over het algemeen voldoen aan de informatie-eisen van art. 5 InvStG en daardoor niet forfaitair worden vastgesteld, en buitenlandse beleggingsfondsen die in de praktijk niet aan diezelfde eisen voldoen. Het HvJ oordeelt dat de forfaitaire waardering met name buitenlandse beleggingsfondsen treft, omdat zij zich niet richten op de Duitse markt. Het kan Duitse beleggers verhinderen om in buitenlandse beleggingsfondsen te investeren. De regeling vormt daarom in beginsel een verboden beperking van het vrije kapitaalverkeer. Het HvJ verwerpt de door de Duitse regering aangevoerde rechtvaardigingsgronden. Het handhaven van een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid is niet aan de orde. Ook de noodzaak om de doeltreffendheid van de fiscale controle te waarborgen en om een doelmatige belastinginning te verzekeren, vormen geen rechtvaardiging. Belastingplichtigen kunnen zelf relevante informatie voor de waardering verstrekken en gebruik kan worden gemaakt van de wederzijdse bijstand tussen lidstaten.

No comments:

Post a Comment